Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
Erwin schrijft

Erwin schrijft

Verhalen in een notendop, confessies uit de boudoir, curiositeiten, statements, woede en liefde.

Gebroken levens

Gebroken levens

Het gebroken venster geeft uit op mijn verloren Brussel, mijn perfide minnaar. Het lege landschap is het afscheid van een doorleefde droom, het sluiten van een goed boek dat je nooit een tweede keer zal lezen. De weemoedige muziek van vroeger blijft borrelen in mijn ongerept geheugen en met haar de vreugde van de liefde en het moeizame afscheid nemen. Het ligt allemaal onaangeroerd achter me in dezelfde toestand als ik het al die jaren heb neergeschreven.

Word ik wereldvreemd? Bekijk ik deze chaos van een verrotte amorfe stad met rode ogen van angst en wanhoop met afgrijzen aan, denkend dat het vroeger allemaal beter is gegaan? Ben ik de kijvende hand van moeder al vergeten? Ik beleef de losgelopen oppervlakkigheid van al wie en al wat me omringt als een terreuraanval op mijn hele oud-worden zijn. Het ontbreken van diepzinnigheid en het onverdraagzame betoog in deze wereld maken me niet meer zenuwachtig. Waar ga ik nu heen, waar sleur ik mezelf naartoe. Is dit fake gemaakt om me niet meer bang te maken van mijn eigen natuurlijke dood? Mijn eigen verdomde betwetendheid. “Hoe dwaas kan je zijn”, denken mensen en lachen me met wuivende handjes weg.

Wie kan het nog schelen. De generatiekloof. De twintigers en de veertigers van vandaag. Onze gerimpelde oudjes bekijken het allemaal triestig hoofdknikkend vanop afstand doorheen hun met sanseveria bezaaide purperen vensters. Eens daverden er de wildste verhalen des levens door hun oren, vandaag fluisteren ze elkaar banaliteiten in onsamenhangende zinnen in elkaars behaarde oren. Thuisblijven is geen optie en socialiseren zoals dat in moderne tijden als deze heet zit vol venijnige trukken. Voor onze oudjes lijkt het gemakkelijk. Het zwarte personeel dat amper twee woorden Nederlands spreekt en dan nog, meneer, moeten ze die verdomde hoofddoek aan, wel, meneer, dat zwart personeel brengt ons wel eten, ze vragen totaal ongeïnteresseerd hoe het vandaag gaat, dat spreekt ons aan als zaten we terug in de kleuterklas van vooroorlogse tijden en loopt snel weer door omdat spreken zo moeilijk is, meneer, terwijl ik, zonder mijn valse tanden in kijk, beter kan spreken.

Ik zie de waanzinnige losbandigheid van dronken vrouwen met jonge mannen die uit zattigheid hun overgeilheid niet onder tafels kunnen steken. Ze blozen schaamrood en kwijlen hun veel te duur betaalde alcohol over hun vette lijken, deze jonge mannen, ze willen wel maar kunnen ze überhaupt nog wel? Als secretaressesletten geklede meisjes durven wel eens op onstabiele tafels van uitgerookte cafés dansen in sierlijke beha maar ze verbranden hem niet meer. In hun burleske hoerigheid houden ze hem onder het mom van vrouwelijke speelsheid stijfjes en strak aan. Een beschermend en onzichtbaar keurslijf, een voorsmaak van het stramien van hun leven. De televisie heeft hen voorgedaan hoe ze het moeten doen. Ze hebben de melodie uit de muziek gehaald, ze hebben de dromen uit de bruine kroegen verbannen, ze bouwen Berlijnse muren rond hun blanke dorpen. Zelf zijn ze nooit over het muurtje geklommen. Ze hebben nooit een geheime deur opengemaakt. Ze hebben nooit de weg naar de hel gevolgd. Ze hinken maar na, ze doen maar net hetzelfde wat ze in de boekjes en bij vriendinnen gezien hebben. Een boek kennen ze niet. Een boek lees je toch niet op een smartfoon? En de man, ach de man, die hoeft zich geen zorgen te maken, tenminste niet dezelfde zorgen. Vroeg of laat zal hij zich zorgen moeten maken. De stoerheid zou in zijn genen geschreven staan. Dezelfde weg naar de eentonigheid en de uniformiteit van de verveling ligt plat geplaveid voor hem maar dat weet hij nog niet. Zijn bedje is gemaakt en zichzelf losmaken van moeders borst vind hij niet kunnen. Eens gehuwd in het patroon van hun uitgetekend leven neemt man en neemt vrouw respectievelijk plaats aan de tafel van het leven. Er wordt niet veel gegeten dezer tijden. Alles is voorgekauwd en verteerd voor de digestie al plaats gevonden heeft. Niets blijft en niets is om te blijven. Vrouw gebroken prinses, man naar de hoeren. Huisje tuintje hondje poesje. Het poesje van de minnares. Minnaressen en onschuldig geflirt op bruiloften. Huilende kinderen.

Wie maakt het allemaal nog uit? Kennis schreeuwt om ervaring maar niemand van deze generatie ligt hiervan wakker. Misschien is dat net het meest beangstigende. Dat de oppervlakkigheid een vaste norm is geworden : no cognito ergo es. Dat meisjes met popjes blijven spelen en jongens met hun penis. Gehoorzamen en bevelen. Dat iedereen vroeg of laat teruggefloten wordt om in zijn of haar rol te blijven. Vrouwen horen geen penis te hebben, mannen spelen niet met poppen. Ze worden teruggefloten door een zelfverklaard religieus opperhoofd, een vodje tekst, een beangstigend sprookje om in te geloven omdat geloven in zichzelf de zwaarste opdracht des levens is. Een sprookje om in weg te vluchten, om zichzelf van en tegen de mens en de wereld te keren, om onderdanig te zijn, om te verdelen en om te kunnen haten, om niet en niets meer te weten. Geschiedenis is iets voor de boeken, niet voor een collectief geheugen. Nog minder om een ervaring te delen. Om uiteindelijk die beha’s voorgoed in de kast te laten of onder vormloze wollen truien te verbergen. Om gesluierd, gekruisigd en gebukt door het leven te slenteren, wachtend als een naïeve uitverkorene op een paradijs dat nooit zal komen. De sloten van de hemelpoorten zijn verroest en in andere hemelen zijn geen maagden meer. Om de handen boven de tafels en de lakens te houden. Om de gewaxte benen als stijve lippen bij elkaar te persen. Iedere mooi ogende blik is een verkrachting. Zelfs de hel is helemaal uitgebrand.

Ik ben duizend maal verbrand in hemel en in hel, ik heb de politiek van oudewijven Dolle Mina’s de rug toegekeerd, niet zonder hun theorie naar mijn eigen driften te draaien. Ik heb mijn eigen kinderen overleefd. Kinderen van deze generatie. Hun mannen zijn mannen als zoveel andere mannen met zwarte tanden en ingegroeide tabaksgeur over hun stinkend lijf. Hun vrouwen zijn als al die andere verzuurde wijven. Hun buren vinden mij maar een oud vies stinkend mannetje. Maar ik zal geleefd hebben, ik zal doorleefd zijn. Ik zal het allemaal overleefd hebben en ik heb toch nog altijd mijn eigenwijsheid.

Wie kan het allemaal nog schelen? De schrijver van deze aantekeningen misschien. Doorheen mijn gebroken venster ligt meer pijn dan ik ooit zal kunnen dragen. Toch heb ik het kunnen doorbreken. Maar het is gebroken… Buiten loert het monster op mijn verloren gegane Brussel, wachtend om mijn rottend lijk op te kuisen, als ze het al zouden vinden; binnen ligt nog iets om in te geloven. Binnen liggen mijn herinneringen aan betere tijden. Binnen liggen mijn herinneringen aan jou. Binnen ligt mijn rust. Binnen ligt mijn schreeuwen, mijn angsten en de verdroogde vellen van mijn lijf.

Ik ga het venster niet laten maken, ze zouden er nog geld voor durven vragen. Wat gebroken is valt niet meer te herstellen. Laat me nu maar terug naar binnen gaan. Daar is het nog gisteren. Daar hou jij nog huis. Daar wil ik nog leven en overleven. Laat het venster nu maar open staan. En waait de wind nog eens door gaten en spleten, één ding moet je weten, staat het hier allemaal schots en scheef, ’t is in Brussel dat ik verdomd graag leef.

Partager cet article

Repost 0

Commenter cet article