Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
Erwin schrijft

Erwin schrijft

Verhalen in een notendop, confessies uit de boudoir, curiositeiten, statements, woede en liefde.

The day before came - part one

tdbyc.jpg

I must have left my house at eight because I always do. My train I’m certain left the station just it was due.

Al snel is het half acht. Het korte nieuwsbericht dat galmt uit de wekkerradio rukt me uit enkele uren slaap. RTL 2. Net voldoende informatie opnemen om later op de dag mee te kunnen praten over de gebeurtenissen in de wereld. Ochtendnieuws lezen op internet bestaat nog niet. Toegegeven, RTL 2 is niet van hoog niveau maar ’s morgens hou ik het liever licht en is eeuwig debatteren, ellenlange politieke uiteenzettingen of filekennis en het leed dat er mee gepaard gaat niet aan mij besteed. Fransen houden van discussiëren. Op de radio ranselt de nieuwslezeres met een zeer irriterende stem in ijltempo haar teksten af; in amper twintig seconden braakt ze een hele volzin uit van telkens zeker veertig woorden en drie verschillende onderwerpen, met op de “achtergrond” een nogal op de zenuwen lopend en onophoudelijk nieuwsmelodietje om het drama van het nieuwsmoment te onderstrepen. Die achtergrond is meer de voorgrond en daardoor gaan er wel al eens onderwerpen verloren. Na het nieuws, Franse popmuziek, dat moet zo van de overheid. Jammer van de horoscoop. Die laat op zich wachten en ik kan niet blijven liggen.

 

Ik sta op. Koffie. TV aan. TV kijken. TV uit. Badkamerrituelen. Echte verwennerij is het op dat moment van de dag niet maar ik kan er mee leven de komende uren.

 

Deur uit, de metro op. Geen vast vertrekuur, er valt bijna om de minuut één te nemen. Ik heb ergens gelezen dat in Parijs op één dag de hele bevolking van België doorreist.

 

In tegenstelling tot Agnetha’s indrukken, werpt niemand een blik. Geen oogcontact. Weinig mensen wisselen woorden, mensen lezen boeken, kranten, tijdschriften of staren met lege glans in de ogen door je heen. Iets wat ik ook moet aanleren : naar de mensen kijken zonder ze te zien staan. Nog anderen maken zich op, van make up tot stropdas. Nog anderen slapen gewoon verder.

 

De eenzaamheid is groot in ochtendmetro’s, de werkelijkheid is een feit in ochtendmetro’s.

 

I must have read the morning paper going into town. And haven gotten through the editorial no doubt I must have frowned. 

Ieder traject met de metro wordt gekenmerkt door verveling, iedereen draagt de tegenzin en de ondraaglijkheid van het ordinaire bestaan op het gelaat en in het lichaam mee. De kleding is slechts een masker van het veinzen hier graag te zijn. Mensen lezen gemakkelijke lectuur. Gala. Top santé. Enkelen lezen Le Monde of Libération. Métro en “sudoku” zijn nog niet uitgevonden. Er is zelfs nog geen spoor van tergend gerinkel van draagbare telefoons. Ik luister naar de treurzangen van Gorecki, ik heb er het hart naar. De klaagzangen brengen rust, schoonheid en puurheid. Het is een tweestrijdig gevoel : gelukkig zijn en naar trieste muziek luisteren die me opvrolijkt.

 

Ik frons mijn wenkbrauwen. Om een artikel dat ik tegen mijn neus gedrukt krijg. Om een onbeschofte reiziger. Om het half uur metro. Om de mensen. Om een gemiste kans gisterenavond. Op deze ochtenden gebeurt er niets waarvan ik later op de dag mijn wenkbrauwen nog eens zou fronsen om het plezier hier morgen hetzelfde ritueel aan te gaan. Niemand waarvan ik zou afvragen : waar gaat hij naartoe? Wat doet hij in het leven? Waarom is hij zo afwezig? Wie is hij?


I must have made my desk around a quarter after nine with letters to be read and heaps of papers waiting to be signed.

Metrotijd is verloren tijd. En die tijd is zo om. Op mijn bureau vind ik faxen, brieven die verstuurd moeten worden, chèques die naar de bank gebracht moeten worden, documentatie-aanvragen en kranten van de vorige dag. De tijd om de hele voormiddag emails te lezen en te beantwoorden ligt nog ver van vandaag. Collega’s komen toe, iedereen groet iedereen, iedereen drinkt koffie en zo gaat dat een uur door. Iedereen lacht, ik lach mee. Iedereen glimlacht, ik glimlach terug. Het is niet wat ik wil. Zes uur aanwezig zijn, voor acht uur betaald zijn en slechts één uur geconcentreerd werken, wat zou iemand nog meer willen? Meer nog, wat wil ik nog meer?

 

Ik wil meer. Veel meer dan als een grijze muis in een grijs bureau te zitten de grijsheid van de mensen te aanschouwen. Veel meer dan lege goeiemorgens rond te strooien. Veel meer dan dagen te vullen met leegheid. Veel meer dan iedere dag beseffen alweer een beetje voor niets gestorven te zijn.

 

 

metro-parijs.jpg

 

I must have gone to lunch at half past twelve or so, the usual place the usual bunch. And still on top of this I’m pretty sure it must have rained. The day before you came. 

Wie zou er moeten komen? Wie zou er al gekomen zijn die ik niet opgemerkt heb? De ene dag lijkt de andere wel. Niets veranderd en het is alweer half één, geloof het of niet. Dezelfde plek, dezelfde mensen. Eten blijft een eenzame belevenis.

 

Het regent, wat anders? We hebben al de hele voormiddag de vier seizoenen gekregen. Op zo’n dag als deze denk je : wie ben ik, wat doe ik, waar ben ik mee bezig, waar ga ik naartoe en vooral, hoe geraak ik hieruit? Het is steeds dezelfde sleur, het ordinaire zonder ziel en zonder gelaat. Zelfs de dood lijkt meer leven te hebben. Alle creativiteit is uit mijn brein geduwd. Alleen jij kan me nog herstellen.

 

Jij. Ik weet wie je bent, ik weet wat je doet, ik weet waar je werkt en wat je doet in je vrije tijd. Dat is een hele geruststelling te midden van altijd maar dezelfde gezichten en dezelfde anonimiteit. De zegel van het stilzwijgen doorbreken en spreken met schunnige blikken maakt het anders en draaglijker. Je inspireert.

 

Ik bedenk dat, als het sex zou zijn dat een relatie in stand houdt, het ook sex is dat een koppel uit elkaar kan halen. Mensen gaan uit elkaar wanneer datgene dat we verbergen beter is in een ander bed aan de andere kant van de stad. Wanneer we niets zouden te verbergen hebben, hebben we ook geen reden om elders naartoe te gaan.

 

I must have lit my seventh cigarette at half past two and at that time I never even notices I was blue.

Roken doe ik nog niet zoveel als ik later wel zou doen en op de werkvloer bestaat er nog geen rookverbod. Roken gebeurt nu louter in het weekend wanneer ik drink.

 

Na de lunch, hoe kan het ook anders, kom ik terug werken. Het is half drie. Dezelfde namiddag als de vorige en volgende namiddagen. Niets en niemand inspireert, er heerst een haast rituele stilte. Alleen op de achtergrond klinkt het geratel van een automatische typemachine. Word en tekstverwerkers kennen we nog niet. We bestellen zelfs nog Tip Ex. Een seconde duurt een minuut duurt een uur duurt een namiddag duurt een eeuwigheid. De tijd gaat zo sluipend en tergend traag voorbij dat ik zelfs niet inzie dat ik niet goed ga. Zo stil…

 

I must have kept on dragging through the business of the day, without really knowing anything I hid a part of me away. 

Zo stil… Ik beantwoord de telefoon, neem de namiddagpost door, zet wat koffie, drink wat koffie en iedereen doe wat gedaan moet worden.

 

Tussen het roken en het heimelijk drinken in de namiddag, bedenk ik dat er ooit in ons dorp een bordeel stond. Het was een riante en imposante villa met allure. Het telde heel wat vensters en was gelegen aan een drukke steenweg die het dorp in tweeën sneed. Het pand paalde aan de beboste achtertuintjes van enkele werkmanshuizen. Er is nog geen sprake van sociale woningen en nergens merkte je gesluierde vrouwen.

 

Het bordeel lag iets hoger dan alle andere huizen in de buurt en gaf daarom een royale indruk. Een sierlijke trap leidde de bezoekers via een klein onderdakje naar een zware deur, bijna een poort, zo naar de bar. Onderaan de trap stonden langs beide zijden twee beelden van leeuwen op een sokkel en met open muilen in stenen stilte te brullen. Rond hen lag de slecht onderhouden voortuin gezaaid met wild struikgewas en onkruid. Hier nog geen verloren condooms want daar rust nog een groot taboe over. Aan de linkerkant had je een groot raam waar ’s nachts blonde en donkerharige dames zaten, genepen in zijden korset en gelaarsd in blinkend leer, in de gloeden van rode en paarse lampen. Ongestoord en met nonchalant open benen keuvelden ze gezellig in een rieten stoel met hoge rugleuning. Agnetha en Frida zaten in hun carrière ook al eens in zo’n stoel. Op andere dagen lag dan iemand provocerend en uitnodigend op zachtfluwelen kussens in dezelfde tinten als de lampen. Binnenhuisarchitectuur is nog niet echt een beroep en ook op TV heb je nog geen “pimp my brothel” programma’s. Naast het keuvelen, wanneer iemand alleen kwam te zitten, lazen ze een magazine, lakten hun nagels, steeds lettend op de voorbijgangers. Ooit heeft eentje naar me gelonkt toen ik discreet mijn blik liet vallen op het venster. Ik voelde me wel trots, niet zozeer als een echte man, meer als “ik hoor erbij”. Ik durfde het verbodene tegemoet treden, meer zelfs, het verbodene bleek niet zo onaangenaam te zijn en het verbodene kwam naar me toe.

 

agnetha-stoel.jpg

 

Het bordeel heette “Bar L’écrin” en werd het schandaalhuis van het dorp genoemd. “Ecrin” is de Franse benaming voor juwelenkistje. Een huis vol juwelen. Ik vond dat we trots mochten zijn op ons huis. Voor het huis lag een parking die “Réservé à la clientèle” heette en bezaaid lag met rode kiezelsteentjes die aangenaam kraakten wanneer een wagen het pad opreed. Op een paar passen van het huis bevond zich een klein poortje waarvan de verf dateerde en waarop stond te lezen : “Attention, chien dangereux!”. De gevaarlijke hond was een Duitse herder met al het kwaad van de hel gegraveerd in zijn zwarte ogen, zo groot als brokjes steenkool. Zoals de sfeer van het huis het betaamde, droeg hij een ruwe ijzeren ketting rond de nek en liet zijn witte rij tanden besmeurd met kwijlend speeksel zien van zodra een wagen het terrein opreed. Hij was de meester van het huis. Op het luide geblaf kwam een wat oudere elegante dame vanuit de achtertuin om de hond te kalmeren en de bezoeker(s) naar het Huis der Liefde te begeleiden.

 

frida-stoel.jpg

 

Dat was het bordeel. Het huis van ontucht. Wat een herinnering, bedenk ik. Laat ik nu maar eens iemand opbellen.

 

Het ogenblik waarop ik de eerste cijfers draai (toetsenborden zijn nog niet erg in trek), komt Erika met grote zwaai mijn bureau binnen, een paar dikke dossiers onder de armen. Ze ziet er tamelijk serieus uit met haar veel te grote bril met bordeaux-tintig montuur. Haar natuurlijke blonde haren heeft ze gemakkelijkheidshalve slordig opgestoken met een afgekauwd potlood. Daartussen steekt ook nog een grote donkerbruine haarspeld waarop motieven van afgevallen herfstblaren op staan gegraveerd. Ze ziet er uit als een afgelikte pannenkoek, doodop en met blik van : “Wat doe ik hier?”. Ik leg de telefoon weer dicht, ik bel later wel. Erika heeft nochtans niet gemerkt dat ik van plan was te telefoneren en begint ijverig alle documenten in andere uitpuilende dossiers als hijgende tongen te rangschikken. Het is een job als een ander. Ze wriemelt een laatste pak papieren tussen de twee decennia lang gesorteerde dossiers, duwt daarbij met een tikje van haar rechterwijsvinger haar bordeaux-bril helemaal recht op de neus en geeft met een laatste krachtige kniestoot (een beetje zoals de nu nog ongekende Katrien Verbeek alias Kate Ryan zal doen op het Eurovisiesongfestival) de dossiers hun definitieve toegewezen plaats in de kast. “Dat is nu ook weer gedaan”, zucht ze voldaan.

 

De kasten zijn oude grijsgroene ministeriekasten uit metaal  die nooit echt goed sluiten en een hels kabaal maken wanneer je ze open of dicht trekt. Met een luide klap gooit Erika één van de deuren dicht die was opengegaan bij het sluiten van een andere. Ik kijk haar een beetje geërgerd aan. Ze probeert nerveus het slot dicht te prutsen, verliest alle geduld en valt tenslotte in een waterval van vloeken. “Zie, die kasten hier hè, dat is nu al jaren dat die zonder enige reden gewoon openvallen en niet meer dicht willen. Die hebben karakter!”. Ze kookt over van woede, ze vloekt en stampt nog eens goed tegen een deur aan, een dossier dat op de bovenste plank zat valt haast uitdagend op de grond maar Erika negeert het hele gebeuren volledig. Uiteindelijk doet ze een stap in mijn richting en keert tot kalmte. En dan verdwijnt ze. Zomaar, ineens. Ik kan de boel opruimen. Dat is mijn taak.


Bonjour tristesse.

 

At five I must have left, there’s no exception to the rule. A matter of routine, I’ve done it ever since I’ve finished school. 

Een half uur later dan Agnetha verlaat ik het bureau. Mijn leven op de schoolbanken was opwindender dan vandaag.

 

The train back home again, undoubtedly I must have read the evening paper then. Oh yes, I’m sure my life was well within its usual frame. The day before you came. 

Dezelfde metro, dezelfde drukte. De mensen stinken naar een dag werken. De mensen vervelen, de mensen irriteren. Niemand kijkt om, niemand wijkt voor iemand, het egoïsme in de avondmetro is groot. Als soldaten in de rij gaat een hele bevolking door haar stad. Mijn dag past perfect in dit vooropgesteld kader. Niets is veranderd, alles blijft hetzelfde.

 

Sèvres-Babylone. Ze staan tamelijk onhandig tegen elkaar aangedrukt. Toch ligt er een zekere afstand in hun intimiteit, de afstand van het alledaagse niet te delen met elkaar maar met een ander. Een andere man, een andere vrouw. Hij zoent haar diep in haar ontblote nek, zo naar het stukje van haar naakte schouder, dan op haar blozende wang. Ze ontvangt verlegen zijn liefde, zo verlegen dat ze de scène laat lijken op misplaatste handtastelijkheid, alsof ze elk moment betrapt kunnen worden. Door hun echtgenotes, door collega’s. Ze drukken hun lichamen niet helemaal tegen elkaar maar zweven haast rond elkaar. Hij laat discreet een arm over haar onderrug glijden, wat haar weer in verroering brengt.

 

In de tocht van de stinkende metrogangen op het spitsuur van een doordeweekse dag, overrompeld door een massa werkvolk, staan een man en een vrouw met elk een andere gouden ring rond de vinger, onhandig elkaar affectie te geven. Onmogelijke en verboden liefde. Hij is niet knap, zij is niet echt een schoonheid maar de schoonheid ligt in hun verhaal. In alle onmogelijkheid houden ze van elkaar. Ze vrijen stiekem de zorgen van vanavond weg, verstopt als pubers en even gelukkig. Ik loop door.

 

Even later, wanneer ik de metro weer opstap en de deuren daverend dichtgaan als losgeslagen guillotines, wanneer de massa zich onbehendig vasthoudt aan poten, palen en pilaren, zwengelt naar één dezelfde kant bij wat brutaal vertrek, te midden van zweterige lijven onder hemden als sponzen, vuile onderbroeken, klamme handen en stinkende adems, merk ik haar op in dezelfde wagon. Zonet nog viel ze me op door haar onhandigheid tegenover de roes van een dronken minnaar die hunkerde naar aanhankelijkheid, toen ze zich door dat zat varken liet bepotelen in de geheime gang van de anonieme metro, niet goed wetend hoe op avances in te gaan en zijn attenties van vet gezoen en geil gehijg te ontvangen. Ze weet niet dat een ogenblik van haar banale leven even een bron van inspiratie is geweest. Rue du Bac. Ze stapt uit. Haar hele traject dat slechts één halte beslaat, stond ze dicht bij mij. Niet onwennig, niet snel weer de haren in de juiste plooi, niet snel het schouderbandje weer rechtgetrokken, niet snel de lippen wat bijwerken of een vleugje parfum sprenkelen. Het haar lag golvend in de plooi, de lippenstift was intact en het ontblote deel van haar schouders was weggestoken. Alsof ze dat iedere dag doet. Gewoon iemand uit die massa die ’s avonds de metro neemt, naar huis gaat, man en kinderen verzorgt en drie uur later gaat slapen.

 

Ik glimlach. Er hing een beetje magie in de lucht, heel even maar.

 

agnetha-smoking.jpg

Partager cet article

Repost 0

Commenter cet article